De Inventaris van het Imkermuseum:

A - Bijenkasten
B - Bijenkorven
C - Materiaal voor de imkerij - algemeen
D - Materiaal voor de korfimkerij
E - Materiaal voor de koninginnenteelt
F - Materiaal voor de honing- en wasoogst
G - Was, propolis en stuifmeel
H - Illustratiemateriaal
I - Onderzoeksmateriaal
J - Diversen

A - Bijenkasten
A01
Schaalmodel van een simplexkast met interieur: broedkamer, moerrooster en honingkamer. Geschenk van dhr. Kelting. ±1940.
A02
WBC-hive Traditionele, dubbelwandige "tuinkast" uit Groot-Brittannië. Hierin werden voor het eerst in Europa de internationale standaardmaten voor bijenkasten toegepast. De kast wordt door sommige Britse imkers nog steeds gebruikt. De Nederlandse Simplex binnenkasten passen er ook in.
A03
Houtgesneden bijenkast de Leeuw van Simpson In gebruik als spreekgestoelte, gedeeltelijk gerenoveerd. Gemaakt naar aanleiding van teksten uit de bijbel in Richteren (15:8) "En na simmige dagen kwam hij weder om haar te nemen; toen week hij af om het aas van de leeuw te bezien; en zie, een bijenzwerm was in het lichaam van de leeuw, met honing"; (15:9) "En hij nam dien in zijn handen en ging voort tot zijnen vader en tot zijne moeder, en gaf hun daarvan en zij aten; doch hij gaf hun niet te kennen, dat hij den honing uit het lichaam van den leeuw genomen had." Herkomst onbekend. ±1850.
A04
Bevruchtingskastje Hierin kan een groter volkje geplaatst worden, wat meer kans op succes geeft. De gaten met gaas dienen voor ventilatie tijdens eventueel transport. ±1960.
A05
Antiek bevruchtingskastje ±1900.
A06
Bevruchtingskastje Het kastje is met de voorzijde met daarin de vliegopening naar beneden opgesteld om het inwendige te kunnen zien. In het bovenste afgescheiden gedeelte doet de imker voedsel (suikerdeeg), waarna twee pollepels natgemaakte bijen in het kastje worden geschept samen met een onbevruchte koningin. Aan het deksel worden tussen de latjes drie reepjes kunstraat bevestigd waar het volkje raatjes van maakt. Zodra deze raatjes van larven zijn voorzien kan de imker beoordelen of de jonge koningin goed werd bevrucht. Indien dat het geval is kan ze via een invoerkooitje aan een ander volk worden toegevoegd. ±1920.
A07
Koninginnenteeltkast Deze kast, ook wel drieramer of drieraamskast genoemd, wordt gebruikt voor de teelt van koninginnen.
A08
Dadantkast Dit type bijenkast is wereldwijd het meest gebruikte type bijenkast, samen met de Langstroth. Het is een ontwerp uit de 19e eeuw waarin voor het eerst de nieuwe wetenschappelijke kennis over bijenvolken, met name die over de afstand tussen de raten, werd toegepast. Ook is de kast eenvoudiger, goedkoper en praktischer in het gebruik. De Nederlandse spaarkast is erop gebaseerd, maar is iets kleiner. Exemplaar met voerbak en moerrooster.
A09
Gerstungs Thüringerkast Staand model. De kast kan aan de achterkant worden geopend, maar wordt van boven uit behandeld. De kast bleek niet geschikt voor de Nederlandse drachtomstandigheden. ±1910.
A10
Dekplank van stro met gat voor een Thüringer voederballon. ±1920.
A11
Fruitteeltkast ontworpen door Dr. Ir. A. Minderhoud. De kast is eenvoudig van constructie en gemakkelijk zelf te maken. Er kunnen zonder al te veel kennis van zaken toch met succes bijen in worden gehouden en er is goed mee te reizen. Met een sluitplank kan de ruimte voor het volk worden verkleind. Honing wordt door de bijen achterin de kast opgeslagen en is simpel te oogsten zonder het broednest te verstoren. ±1950.
A12
Glazen simplexkast ofwel lichtkast. Er was in het begin van de 20e eeuw een theorie dat bijen in kasten met veel natuurlijk licht om allerlei redenen beter zouden functioneren, m.n. in drachtarme gebieden. In de praktijk bleken de nadelen (meer broed dan honing, groter voedselverbruik, m.n. 's winters, breekbaarheid materiaal) groter dan de voordelen (rustigere bijen, minder wasmot, versnelde broedaanzet, twee uur langer werkende bijen, sterkere bijen en koninginnen).
A13
Weiss-simplexkast In deze kast kunnen raten zowel dwars op als in de lengterichting van het vlieggat worden geplaatst, al naar gelang de voorkeur (of dwarsheid) van de imker. ±1935.
A14
Gedecoreerde observatiekast met Staphorster schilderwerk.
A15
Vierkantskorf /korfkast ofwel de korf van Dzierzon. Een overgangsvorm tussen de bijenkorf en de bijenkast, met uitneembare raampjes. Toen vrijwel elke imker in Nederland nog met korven werkte, was men in het buitenland al aan het experimenteren met korven en kasten met uitneembare raten. Met name Von Siebold publiceerde veel over dit onderwerp, en ook zijn leraar Dzierzon heeft veel onderzoek gedaan naar het verbeteren van de bijenwoning en de leefcondities van de bijen. Bovendien toonde hij als eerste aan dat alle eitjes in een bijenvolk door slechts één koningin worden gelegd. Toen in 1857 Dr. W. Berlin "zich opgewekt voelde om den heer Westerman (directeur van Artis) voor te stellen eenige zwermen doe op de Zoölogische tuin gevangen waren te behandelen in eenen modelkorf", kocht Artis van de heer Dzierzon een bijenkorf met gebruiksaanwijzing. Uit heel Nederland kwam men naar Artis om deze wonderlijke aanwinst te aanschouwen. De bijenkast van Dzierzon kon aan de zijkant worden geopend om de ramen eruit te nemen. Die zaten namelijk vast aan latjes die in een uitsparing bovenin de kast konden worden geschoven. Door in de zijwand een schuif te plaatsen, kon men het werk van de bijen observeren. In de wintermaanden werd de ruimte achter het glas met stro gevuld als warmte-isolatie. In de zomer konden de bijen in deze ruimte honingraten bouwen; op die plek kon de imker de honing eenvoudig oogsten. De hier getoonde kast is een replica, gemaakt aan de hand van de originele bouwtekening.
A16
Bevruchtingskastje voor het bevruchten van een jonge koningin.
A17
Dubbelwandige spaar-lichtkast zie A12.
A18
Zesraamskastje/Zesramer voor het huisvesten van een klein volkje of een zwerm.
A19
Automatic Een Engelse vinding. Een bijenkast met een omgekeerde trapeziumvorm. Nooit op grote schaal toegepast, zeker niet in Nederland. Het idee was een zelfreinigende kast, omdat alle afval van een volk (dode bijen, parasieten, wasdeeltjes e.d.) vanzelf uit de kast kan vallen. ±1930.
A20
Simplexkast Traditionele Nederlandse, dubbelwandige bijenkast. Hier en daar nog steeds gebruikt.
A21
Simplexkast Klein model (8-raams) tuinkast.
A22
Veluws observatiekastje uit de 19e eeuw.
A23
Kenia-bovenlattenkast Wordt heden in veel ontwikkelingslanden gebruikt i.p.v. traditionele imkermethoden. Hij is goedkoop, simpel lokaal te maken, vergroot de oogst en vereenvoudigt en verlicht het werk, waardoor imkeren voor velen in de Derde Wereld, m.n. voor steeds meer vrouwen, een haalbare bron van (neven-) inkomsten is. Imkeren vormt zo een belangrijke bijdrage aan de lokale economie.


B - Korven
B01
Verschillende schaalmodellen van strokorven (geschenk van de heer Kelting) A: Gravenhorster boogkorf (links). Kan in twee compartimenten worden gesplitst. B: Kleine schepkorf (midden) Kiep(s) voor het vangen van zwermen. C: Fraai antiek korfmodel (hangend). D: Laatste in Nederland gebruikte korfmodel (rechts). ±1940.
B02
Boomstamkorf Een van de oudste korftypes.
B03
Lüneburger korf met natuurlijke raatbouw. Geschenk van dhr. R. Hoogendoorn.
B04
Bisschopsmuts of Zwanenhals Oud model korf gemaakt van buntgras op een geraamte van wilgentenen. In gebruik tot ±1940.
B05
Bloempotkorf Speciaal gevlochten korf om als plantenbak te dienen.
B06
Bijenkorf Deze korf heeft een vlakke bovenzijde waarop extra "ringen" (strooien opzetstukken) voor de honingopslag konden worden geplaatst. Dit was vroeger een van de simpelste en meest gebruikte korven, alhoewel hij van plaats tot plaats wel wat verschillende kenmerken had. De raten werden door de bijen zelf en niet, zoals tegenwoordig in de moderne bijenkast, door de imker recht naast elkaar gehangen. Als versteviging stak de imker enkele houten spijlen in de korfwand, waardoor de raten werden gesteund en tijdens het vervoer naar de drachtvelden niet werden beschadigd. ±1930.
B07
Zwermkieps Een korfje om zwermen te scheppen. In de avondschemering worden de bijen uit de kieps in de definitieve bijenkast geschud. ±1930.
B08
Jaagkiep of -kieps werd gebruikt om het bijenvolk uit de korf te jagen om de honing te oogsten of de koningin te vinden.
B09
Schepkiep of -kieps. Een korfmodel dat ook nu nog wordt gebruikt om een bijenzwerm uit een boom o.i.d. te "scheppen".
B10
Heideboogkorf Koudbouw, 9-raams.
B11
Boogkorf Een overgangsfase tussen de vaste en de losse bouw: een korf met raampjes. Diverse types en groottes (zie B10, B12, B13, B16).
B12
Drieraams boogkorfje voor het huisvesten van een zwermpje of bevruchtingsvolk. Een overgangsfase tussen de vaste en de losse bouw. ±1925.
B13
Boxmakorf met los strooien deksel. De honingraten werden door de bijen aan de latjes bevestigd.
B14
Grote boogkorf Een overgangsfase tussen de vaste en de losse bouw: een korf met raampjes. Warm- en koudbouw,16-raams.
B15
Bisschopsmutskorf Oud model korf. Deze is gevlochten om een gewone korf heen.
B16
Boogkorf Klein model, koudbouw. Korf met 9 raampjes.
B17
Korfje op zeer kleine schaal met vlieggat boven.


C - Algemene imkermaterialen
C01
Blaasbalgberoker uit ±1920.
C02
Alley's Trap dient om te voorkomen dat een koningin met de zwerm meegaat. De koningin is groter dan de werksters en kan niet tussen de spijltjes door. Ze klimt dan door een van de fuikjes omhoog en de zwerm voegt zich bij haar, waarna de imker eenvoudig de zwerm kan vangen. Het systeem lijkt aardig maar werkt in de praktijk slecht, omdat een koningin door een zwermlustig volk "op dieet" wordt gezet en slanker wordt, en ook omdat zwermende werksters een koningin door het rooster proberen te duwen, waardoor ze er toch door komt of beschadigd raakt. Hier een groot en een klein exemplaar. ±1930.
C03
Vlieggatverkleiner Een oud Zwitsers model.
C04
Moerrooster Dient om te voorkomen dat de koningin, die niet tussen de tralies door past, eitjes in de honingkamer legt. Hoort bij de zwermzeef (C05).
C05
Zwermzeef Een bijenzwerm wordt door de imker in dit kistje gedaan en het koninginnenrooster wordt daarna op de zwerm gelegd. Dit zakt naar beneden en de oude koningin (een zwerm bevat altijd een oude koningin) is eronder gevangen. De zwerm kan nu worden verwijderd en met het oude volk worden samengevoegd, of er kan een nieuwe koningin worden ingevoerd. ±1930.
C06
Wiel- of rolsporen om bevestigingsdraden in vellen kunstraat te drukken. Het stuk koper aan de onderzijde (bij het wieltje) kan worden verwarmd. Het blijft enige tijd warm en zo wordt de ijzerdraad in de was gesmolten.
C07
Raampjeslichter Dit gereedschap wordt gebruikt om de ramen in de kast iets op te lichten door het onder de bovenlat te schuiven en daarna als hefboom te gebruiken, waarna de imker met zijn handen de raampjes verder kan optillen. Dit is vaak nodig omdat de raampjes door de bijen aan de kast zijn vastgekit met propolis.
C08
Darrenvalletjes om de darren uit het volk te zeven. De darren drukken de klepjes naar buiten maar kunnen er niet meer terug in. De kleinere werksters kunnen door de poortjes in de klepjes wel weer naar binnen. ±1950.
C09
Twee imkerkappen en een imkerhoed waarmee imkers hun hoofd beschermen tegen bijensteken.
C10
Klosje ijzerdraad dat wordt gebruikt om kunstraten stevig in de raampjes te smelten.
C11
Twee metalen ramenlichters om de ramen in de kast op te lichten. De ramen worden door de bijen met propolis vastgekit. Het linkse exemplaar is voorzien van een krabber om de bovenzijde van de ramen van propolis en wasresten te ontdoen.
C12
Kastband die zeer strak om de kast en het deksel wordt getrokken om alle delen van de kast goed op elkaar te houden tijdens het reizen met de bijen, bv. naar drachtvelden.
C13
Vulkaanberoker Een beroker met een veermechanisme die continu rook over het volk kan blijven blazen tijdens het werken in een bijenvolk.
C14
Thüringer ballon Een voederballon met suikerwater die werd gebruikt om de bijen in tijden van nectarschaarste bij te voeren. Hij wordt omgekeerd op de dekplank wordt geplaatst. Het onderstuk steekt door een verstelbare ring door de dekplank waardoor de bijen het voedsel kunnen bereiken. ±1920.
C15
Sectiehoningraam In plaats van twee honingramen kan dit houten vormpje in een bijenvolk worden gehangen. De bijen zullen door de spleten tussen de latjes kruipen en de drie losse bakjes volbouwen met raat. Bij goede dracht worden ze door de bijen gevuld met honing en met was verzegeld. De imker kan dan kostbare verzegelde raathoning verkopen. ±1950.
C16
Voedertoestel dat met de smalle zijde in de opening van het bijennest wordt geplaatst. In de opening wordt een jampot met suikerwater op zijn kop neergezet. In het deksel zitten gaatjes waardoor bijen het voedsel op kunnen zuigen. ±1925.
C17
Stuifmeelval Dit apparaat wordt voor de ingang van het vlieggat gehangen. Wanneer de bijen door de val kruipen, wordt het stuifmeel van de poten geschraapt, waarna de imker het kan oogsten. Dit wordt bij ons zelden toegepast door de schaarste aan pollen, de belangrijkste eiwitbron voor bijenlarven.
C18
Bijenuitlaten worden gebruikt om een honingkamer op een rustige manier bijenvrij te maken. De bijen kunnen de honingkamer wel via de uitlaat uit, maar door de ingenieuze constructie niet meer in. Na 24 uur kan de imker dan de honingkamer afnemen. Diverse modellen uit diverse periodes.
C19
Gatenponsapparaatjes Twee apparaten om gaatjes in de zijlatten van raampjes te maken, waardoor metaaldraad wordt gespannen om raat te verstevigen.
C20
Afstandsrepen Metalen strips om de ramen in een bijenkast op de juiste afstand van elkaar te houden.
C21
Dathe-pijp met ventiel. De rook kan wel uitgeblazen worden, maar kan niet in de mond komen. ±1950.
C22
Bijentabak voor berokers. Soms worden kruiden toegevoegd.
C23
Dathe-pijpen Berokers die gebruikt worden om wat prettiger in de bijenvolken te kunnen werken. Zodra bijen een brandlucht ruiken, zuigen ze zich vol met honing waardoor ze niet meer zo steeklustig zijn en door hun dikte ook niet meer zo gemakkelijk kunnen steken. Ze worden nog steeds gebruikt, hoewel blaasbalgberokers steeds meer aan terrein winnen. Deze modellen zijn van rond 1920.
C24
Imkerkap en -handschoenen Een goede imker wordt niet vaak gestoken. Toch is het raadzaam om tijdens het verzorgen van de bijen altijd goede beschermende kleding te dragen, zeker op het hoofd, om nare gevolgen en (het ontstaan van) allergieën te voorkomen. Er zijn ook complete bijenpakken uit één stuk.
C25
Pennenbevestiger Met dit apparaat kunnen afstandspennetjes in de zijkanten van ramen bevestigd worden als systeem om de ramen op de juiste onderlinge afstand te houden.
C26
Rolmes of spoorwieltje om wasraat op maat te snijden.
C27
Beroker Een antiek model dat met kleine turfblokjes werd gestookt. De rook maakt de bijen handelbaarder.
C28
Voerbak van hout. Ingenieus model met drijvend rooster om bijen te behoeden voorde (zoete) verdrinkingsdood. ±1920.
C29
Dekplank voor voederballon ±1930-1950.
C30
Schaaltje voor voederballon instelbaar. ±1930-1950.
C31
Sigaarhouder voor grote sigaar om al blazende daarmee de bijen te kalmeren. ±1890.
C32
Groot combinatie-voerraam voor suikerwater én droge suiker.
C33
Stuifmeelval Metalen bakje om pollen mee te oogsten. De bijen kruipen door de nauwe openingen heen waardoor de korrels stuifmeel van hun pootjes worden geschraapt en in het opvangbakje vallen. ±1960.
C34
Gietlampjes Twee "lampjes" die werden gebruikt om was te smelten of een rolmes te verwarmen. ±1890.


D - Materialen voor de korfimkerij
D01
Zwavelstrips In vroeger tijden waren imkers minder vriendelijk voor hun volken. Aan het eind van het seizoen werden veel korfvolken voor de oogst "afgezwaveld", dat wil zeggen gedood met zwavel. Met de komst van de kastimkerij is dit gebruik gelukkig vrijwel verdwenen.
D02
Vlechtpennen Twee metalen pennen die gebruikt werden voor het vlechten van stro bij het vervaardigen van strokorven. ±1880.
D03
Spleuthoutje dat gebruikt werd voor het splijten van braamstengels voor korven. Braamstengels werden gebruikt om het stro te binden. ±1870.
D04
Vorm voor het maken van een voergat in een strooien dekmat. ±1900.
D05
Stop om het voergat in een stromat van een korf af te sluiten.
D06
Mesje met handvat om de braamstengels, die gebruikt werden voor het binden van stro voor korven, (zie ook D03) op de juiste dikte te snijden. ±1900.
D07
Korfspiegeltje dat aan een stokje verbonden in een korf kan worden gestoken om, als zwermverhindering, te controleren op zwermcellen. ±1880..
D08
Haal Mes om braamstengels voor korfbouw te snijden. ±1890.
D09
Vlechtpen voor het vlechten van strokorven. ±1910.
D10
Kribbelrasp Twee koehoorns die werden gebruikt om braamstruiken voor de korfbouw te ontdoen van hun doornen. ±1860. Zie ook D03 en D06.
D11
Voederapparaat dat door de wand van een korf kan worden gestoken. ±1920.
D12
Korfkrammen Drie krammen om twee korven aan elkaar te bevestigen bij het "jagen" van een bijenvolk, ofwel het overbrengen van een volk naar een andere korf. Hiervoor bestonden diverse methodes. ±1910.
D13
Messen Twee korfmessen (om raat uit de korf te snijden) en een darrenmes (om ongewenst darrenbroed uit de korf te snijden). ±1920.
D14
Voerbakjes voor korfvolken. Eind 19e eeuw.
D15
Vlechtring om de juiste dikte van de strooien band voor de korven te verkrijgen. ±1900.
D16
Vormstoelen Twee ijzeren vormen waar omheen korven worden gevlochten.


E - Koninginnenteeltmaterialen
E01
Transportkooitje met metalen spiraal ter bescherming van een koninginnencel. Dit voorkomt dat werksters de cel afknagen. ±1930.
E02
Cellensteker Apparaat om koninginnencellen uit de raat te steken. ±1920.
E03
Stans Houtje om het begin van een koninginnencel kunstmatig te vormen. Het wordt eerst natgemaakt en dan verschillende malen in vloeibare was gedoopt. ±1920.
E04
Pincet om de koningin te pakken ±1920.
E05
Darrenrooster Werkbijen en koninginnen kunnen tussen de spijlen van het rooster door, maar darren niet. Het wordt gebruikt op bevruchtingsstations voor koninginnen, zoals op Schiermonnikoog, waar geen ongewenste darren mogen rondvliegen. De darren die met de koningin waren meegekomen worden zo in hun kastje opgesloten.
E06
Introductiekooitjes waarmee de koningin in een ander volk wordt ingevoerd of waarin ze tijdelijk met een paar werksters kan worden bewaard. Kooitjes uit diverse periodes.
E07
Invoerkooitjes om een nieuwe koningin in een volk te introduceren
E08
Arrestkooitjes of clips. Metalen of plastic knijpers om koningin van de raat te plukken. Per ongeluk meegepakte werksters kunnen via de openingen ontsnappen. De metalen knijper stamt uit ±1920, die van plastic uit de jaren tachtig.
E09
Verzendkooitjes voor koninginnen uit diverse periodes.
E10
Houten moerrooster zoals dat vroeger met veel geduld werd gemaakt. Moerroosters dienen om te voorkomen dat de koningin, die niet tussen de tralies door past, eitjes in de honingkamer legt. ±1910. Moderne moerroosters zijn van metaal of kunststof.
E11
Ingenieus invoerkooitje De koninginnencel wordt aan de zijde van het blikken plaatje door het linkergat gestoken. Door het gat met moerroostertje wordt een aantal werksters toegevoegd. Voedsel in de vorm van suikerdeeg wordt eerder in de rechtercompartimenten gedaan. Het kooitje wordt warm gehouden bovenin een bijenvolk. ±1930.
E12
Merkset uit de jaren dertig met staniolplaatjes (tinfolie) in diverse kleuren (nu vervaagd) met daarop nummers van 1-100. Zo'n plaatje werd met een druppeltje schellak op het borststuk van de koningin aangebracht om haar te merken.
E13
Mofu vangfuikje Moerfuik voor het merken van koninginnen. Een Nederlandse vinding van Dr. Peeters uit het begin van de 20e eeuw. De fuik wordt over de koningin heen gezet, de koningin kruipt door de fuik en kan niet meer terug. De imker kan haar dan zonder angst voor verlies binnen merken.
E14
Stanley's koninginnenteeltsysteem Met de scherpe achterkant van het koperen buisje wordt een werkstercel met larve uitgestanst. Het buisje wordt over de houten pen geschoven en het geheel wordt in de perspex plaat gezet en op een moerloos volk geplaatst. Het is de bedoeling dat het moerloze volk dan koninginnencellen op de plastic doppen gaat bouwen. ±1930.
E15
Vangfuikjes uit ±1930 voor het merken van koninginnen. De koninginnen worden d.m.v. een slangetje in de fuik gezogen.
E16
Invoermethode Aan de houten stop wordt door de imker een koninginnencel bevestigd. De stop wordt in het plankje geschoven en dit wordt boven het bijenvolk gelegd, waarna de koningin in het volkje kan uitlopen. ±1930.
E17
Bevruchtingsraampje Een raampje voor het antieke bevruchtingskastje (A05). Aan de toplat van het raampje wordt een koninginnencel geklemd, opdat een jonge, onbevruchte koningin in het volkje kan uitlopen. ±1900.
E18
Koninginnenteeltraampjes Raampjes waaraan koninginnencellen kunnen worden bevestigd. In de kooitjes kunnen de koninginnen uitlopen.
E19
Invoerkooitje Slimme constructie met pennen om het kooitje met de nieuwe koningin tussen de raten op te hangen. ±1935.
E20
Mackensen-inseminator Oud, maar het principe van het model van dit apparaat voor het wordt nog steeds gebruikt voor het kunstmatig insemineren van koninginnen. De koningin wordt met behulp van koolzuur in het perspex houdertje onder narcose gebracht. Kunstmatige inseminatie wordt gebruikt voor het creëren van zuivere teeltlijnen en het kruisen van bijenrassen. ±1950.
E21
Welgemuth-kooitje Een kooi om een koningin uit een koninginnencel te laten uitlopen omringd door raatbouwende jonge bijen.
E22
Merknetje Vaak worden koninginnen met een kleurstipje gemerkt. Daarvoor wordt elk jaar één van een serie van vijf internationaal afgesproken kleuren (wit, geel, rood, groen en blauw) gebruikt, zodat de leeftijd van de koningin altijd bekend is. Om de koningin te merken plaatst men haar in een apparaatje als dit. Met behulp van de zachte ondergrond wordt zij tegen het gaasje gedrukt. De imker kan haar dan door de mazen heen van een gekleurde stip voorzien.
E23
Koninginnenvanger
E24
Koninginnenteeltkooitje van perspex voor observatie.
E25
Celbeschermers om een koninginnencel te behoeden voor beschadiging door bv. werksters of een andere koningin. Metaal (±1935) en plastic (1997, Nicot-systeem).
E26
Arrest-wisselkooitjes om de koningin op de raat vast te zetten, bv. om haar te merken.


F - Materiaal voor de honing- en wasoogst
F01
Handhoningslinger Dit apparaat draait op een punt op de grond en met de hand wordt er aan de bovenkant een slingerende beweging aan gegeven. De honing vliegt uit de raat en verzamelt zich in het bakje. Daarna kan de honing er door een tuitje aan de achterkant worden uitgegoten. ±1935.
F02
Ontzegelmes Dit kan verhit worden door het in kokend heet water te dopen. Daarna is het eenvoudiger de wasdekseltjes van de honingraat te verwijderen, alvorens de ramen te slingeren.
F03
Honingzeef ±1920.
F04
Erica-borstel die dient om de vaste heidehoning wat vloeibaarder te maken zodat ze geschikt wordt om geslingerd te worden. De borstel wordt herhaaldelijk in de cellen geprikt en bewogen. ±1935.
F05
Rietsche's waspers De pers is losneembaar scharnierend verbonden. In een warme ruimte wordt eerst een lepel losmiddel (zeepoplossing, aardappelwater, of een mengsel van heidehoning, brandspiritus en water in de verhouding 1:3:4). Daarna wordt de pers gesloten en het teveel aan losmiddel afgegoten. Na opening van het apparaat gaat er aan de scharnierzijde een lepel hete (niet kokende) was in. De pers wordt gesloten en daarna wordt het deksel losgemaakt waarvan dan het vel kunstraat kan worden afgehaald. ±1930.
F06
Dubbele honingzeef Na het slingeren van de honing gaat de honing eerst door de grove, daarna door de fijne zeef. Daarmee wordt de honing gezuiverd van kleine onreinheden als wasdeeltjes e.d.
F07
Ontzegelvorken Twee veeltandige vorken om de door de bijen ter conservering van de honing op de raten aangebrachte wasdeksels (de zegels) voor het slingeren te verwijderen.
F08
Hand- of veldslinger ±1930. Geschenk van dhr. Kelting. Er zijn vele soorten slingers, maar alle werken volgens het principe van de centrifugale (middelpuntvliedende) kracht: door de snelle slingerbeweging vliegt de honing uit de cellen van de raten en zakt naar de bodem van de slinger, waar hij wordt opgevangen.
F09
Koperen raatwassmelter Het apparaat wordt met water gevuld en boven een vlam verwarmd. De was vloeit via de koperen richels naar het tuitje en dan het bekertje in. Het vuil blijft achter en de was krijgt door het koper een warmgele kleur. Roodkoper kleurt de was nog fraaier. ±1920.
F10
Ontzegelbak ±1950. Voor het honing slingeren moeten de door de bijen ter conservering op de honing aangebrachte wasdekseltjes worden verwijderd met een ontzegelvork of -mes. Dat gebeurt boven een ontzegelbak waarin de gelekte honing en wasdeeltjes worden opgevangen.
F11
Hand-kolbtoestellen voor het in de raat losmaken van vaste heidehoning voor het slingeren.
F12
Zonnewassmelter Bijenwas is een kostbaar product waar je zuinig mee om moet springen. Oude was en raten wordt in het bovengedeelte van de smelter gelegd en de zonnewarmte smelt de was, die in een opvangbak wordt v erzameld. Vervolgens wordt hij gezuiverd en verwerkt tot kunstraat, kaarsen of andere wasproducten. Het is een goedkope manier om was te recycleren, maar niet erg efficiënt, omdat heel wat was toch nog in het residu achterblijft.
F13
Houten honingpers ±1930.
F14
Houten honingpers ± 1890.
F15
Kolbtoestel voor het vloeibaar maken van heidehoning voor het slingeren. Heidehoning is zo stevig dat ze pas kan worden geslingerd als ze los is gemaakt met dit toestel door de pennen in de raat te steken en zachtjes te bewegen. Dit én het verlies van volken door de late heidedracht verklaren de hoge prijs van de gegeerde heidehoning. ±1925.
F16
Drentse klap-pers Een eikenhouten bak waarin honingraat werd uitgeperst. Voor het persen werden de raten in de paardenharen perszak gedaan. De zak werd vervolgens in het persgat gelegd en met de schroef door het persblok naar beneden geduwd. De honing werd zo door de gaten naar buiten geperst. Deze oude Drentse klap-pers is rond 1840 door Pieter Doedes gemaakt. De poten, de schroef en de persklap zijn authentiek, de persbak stamt uit 1983 en is naar een oud model in het bijenmuseum in Vledder gemaakt. Pieter Doedes was imker te Enkhuizen. Regelmatig voer hij met de beurtschipper en zijn tjalk "De Geus" van Enkhuizen naar Kampen en van daar naar Avereest. Daar plaatste hij zijn ±400 korven in de boekweit- en heidevelden. Behalve honing vond hij er ook zijn latere vrouw. In 1885 kwamen vader en zoon Doedes op de Zuiderzee voor Kampen bij zeer warm en windstil weer stil te liggen. De korven in het oververhitte ruim moesten in allerijl aan dek worden gehaald en van hun afsluitdoek worden ontdaan, een zwaar en onplezierig karwei. De oogst van dat jaar was echter zeer goed. Veel van de korven stonden op maar liefst vier stroringen (opzetstukken, het equivalent van de moderne honingkamers) en wogen over de vijftig kilo.
F17
Waskanon In de horizontale cilinder wordt was in een losse geperforeerd koker gedaan. In het onderstuk wordt water verhit. Als er stoom ontstaat, smelt de was die er dan door de opening uit vloeit. ±1925.
F18
Eenvoudig waspersje van eikenhout zoals dit vroeger vaak door imkers werd gemaakt. ±1860.
F19
Honingkraan van brons die op een vat met honing werd bevestigd om honing af te tappen. ±1920.
F20
Grote waspers Geschenk van het hoofdbestuur. 19e eeuw.
F21
Honingzeef ±1950. Na het slingeren wordt de honing eerst in een grove en daarna in een fijnmazige zeef gereinigd en van wasrestjes ontdaan. Daarna gaat de honing in het honingvat om af te rijpen.


G - Was, propolis en stuifmeel
G01
Kunstraat Kunstraat wordt aan de bijen gegeven om honing te besparen (voor het bouwen van één honingkamerraat hebben de bijen 12 gram honing nodig, bovendien kunnen bijen hun tijd dan aan andere zaken besteden), om darrenbroed te vermijden, en om mooie rechte raten te verkrijgen.
G02
Stuifmeel Afkomstig van verschillende plantsoorten.
G03
Diverse wassoorten: (a) Argentinië 15-04-1988; (b) Marokko 20-04-1988; (c) Mexico 27-04-1988; (d) Madagaskar, Majunga; (e) Tanzania 13-04-1988; (f) China; (g) Haïti; (h) VS 30-03-1988.
G04
Propolistinctuur uit Spanje en Nederland. Een sterk antiseptisch middel voor het behandelen van wondjes. Zie G14.
G05
Bijenwas Bijenwas wordt, na van 1970-1990 wat in onbruik te zijn geraakt, weer steeds meer als grondstof gebruikt vanwege de vraag naar natuurzuivere producten. Het wordt o.a. gebruikt in meubelwas, schoensmeer, autowas, skiwas, cosmetica en artikelen voor de persoonlijke verzorging en drop.
G06
Oost-Afrikaanse was Vroeger werd meer dan de helft van de wereldproductie van bijenwas verhandeld in Dar-es-Salam, waar een strenge kwaliteitscontrole plaatsvond. Tegenwoordig komt was steeds vaker uit Zuid-Amerika en Azië.
G07
Japanse was die industrieel gebleekt is.
G08
Koningin op raat Afgietsel in was.
G09
Waskoek
G10
Waskaarsen
G11
Gekleurde was
G12
Koperkleurige was Was die met een koperen smelter is gesmolten, neemt de kleur van het koper aan, dus wordt goudgeel of roodkoper.
G13
Vloeibare propolis (zie G14)
G14
Gedroogde propolis Propolis wordt door bijen gemaakt van de hars van bepaalde planten. Ze gebruiken het voor het dichtkitten van kieren in hun woning en voor het balsemen van ongerechtigheden (bv. een dode muis). Imkers verzamelen het om het te gebruiken als reparatiekit voor hun bijenkasten. Tegenwoordig wordt het steeds vaker in de farmaceutische industrie gebruikt vanwege de desinfecterende en genezende eigenschappen. Pas wel op: 1 op de 2000 mensen is sterk allergisch voor propolis.


H - Illustratiemateriaal
H01
Wandplaat Bijenplaat: Insecten Boerman & Kuip, Wolters.
H02
Wandplaat Honingbij: vormenleer en ontleedkunde KBIN.
H03
Wandplaat Apis Mellifera II, Pfurtscheller. Nijhoff, Den Haag. ±1930?
H04
Bijenfoto's Zwart-wit close-up foto's in lijstjes.
H05
Pentekening van het Nieuwe Bijenpark. Jan J. Bosma, 05/1978.
H06
Wandplaat Apis Ligustica, in lijst.
H07
Foto van de 1e Imkerdag 1924 uit "De Practische Imker". Geschenk van dhr. H. Beil. Foto genomen op 27/09/1924.
H08
Verklarende tekstkaartjes uit de begintijd van het museum.
H09
Foto in lijst van Middeleeuwse bijengravure.
H10
Foto in lijst Geert v.d. Brink, "Nederlands oudste korfimker".
H11
Bakhuis met bijenstand Pentekening van J.A.L. van Blommestein uit 1939, naar een origineel uit 1741.
H12
These Bees Are Called Drivelings Pentekening van J.A.L. van Blommestein uit 1939? Naar een Engels origineel uit 1761.
H13
Imker met stal Ingekleurde pentekening. J.A.L. v. Blommestein naar een origineel van Fr. V. Eeckhout uit 1711. 1939.
H14
Fotocollage Reizen met de bijen naar het "nieuwe land" in de Wieringermeer in 1937 en 1938. 2 grote foto's.
H15
Fotocollage Een zwerm vangen op het Bijenpark, jaren dertig.
H16
Fotocollage Het park aan de Sloterweg in de jaren dertig en veertig. Personen en plaatsen. 4 grote foto's.
H17
Fotocollage Imkers en kasten in de jaren 30 tot 50. 9 foto's.
H18
Franse bijenplaten "Ailes de l'ouvrière"; "Pattes antérieures de l'ouvrière et jambes postérieures de l'ouvrière." ±1930.
H19
Kastkaarten om de ontwikkeling van een volk bij te houden.
H20
Fotocollage AVBB-stand op Gouden Imkerfeest, Assen, 1947.
H21
Linosnede Imker & korven. ± 1965, V.S.R (Julia v.Verschuer?)
H22
Foto van Jan J. Bosma in lijst. Begin jaren 70.
H23
5 Posters in kleur: bijen, pollen, propolis, honing, gelei.
H24
2 Lichtbakken met tekeningen en tekst: de anatomie v.d. bij.
H25
Celvormige wandpanelen 6x. Uitleg over pollen in Nederland.
H26
Collage van tekenwerk van Jan J. Bosma.
H27
Collage Obligatie 1948, Acte 1908 (kopie), foto's oude parken.
H28
Aquarel van tuinhuisje door A.Scheerder. 1984.


I - Onderzoeksmateriaal
I01
Loep om bijen te bestuderen. Antiek model van voor 1900.
I02
Duitse bijentongmeter ±1935. In de spleet wordt honing gesmeerd vanaf de achterzijde tot aan de glaszijde. Het stukje hout waaruit de meter hoofdzakelijk bestaat is wigvormig. De bijen kunnen alleen honing halen zover hun tong strekt. De resterende honing blijft zichtbaar waardoor men kan aflezen hoe lang de tong is. Bij verschillende bijenrassen verschilt de tonglengte aanzienlijk.
I03
Borststukmeter Men plaatst dit apparaat voor de vliegopening van de bijenkast. Het wordt net zolang aangeschroefd tot de werksters er niet meer doorheen kunnen, waarna op de schaalverdeling in tiende millimeters kan worden afgelezen hoe dik het borststuk van de werkbijen is. ±1935.
I04
Tongmeter ±1930.
I05
Microscoop met lenzen en toebehoren in houten kastje. Leitz nr. 487121; 05/11/1955.
I06
Microscoop met lenzen en toebehoren in houten kastje. Leitz nr. 352031; 03/11/1939.
I07
Microscopen Twee stuks in houten kistjes. Jaren 50/70.


J - Diversen
J01
Herinneringspenning van de VBBN aan de Floriade van 19??
J02
Herinneringspenning uit 1934 aangeboden door de gemeente Amsterdam aan de AVBB.
J03
Herinneringspenning van de imkerdag 1947 en het vijftigjarige bestaan van de VBBN.
J04
Herinneringspenning van de deelname aan de Floriade van 1982 waar de inzending van de AVBB goud won.
J05
Houten medevaatje voor het bereiden van "honingwijn", mede.
J06
Vijf vogelnestjes met eieren 1) pimpelmees; 2) zanglijster; 3) heggenmus; 4) merel; 5) winterkoning.
J07
Oude balansweegschaal om bv. honing af te wegen.
J08
Unster Weegschaal om o.a. honing te wegen. ±1880.
J09
Bijenpoten Twee sterk uitvergrote bijenpoten ter demonstratie.
J10
Ransuil-braakbalonderzoek uit de zomer van 1976 op het Nieuwe Bijenpark. Vondsten gegoten in perspex.
J11
Braakbalonderzoek uit de winter van 1976/1977 op het Bijenpark. Vondsten gegoten in perspex.
J12
Vaasje in Delfts Blauw ter herinnering aan het Internationale Bijencongres in Amsterdam in 1947.
J13
Vitrinekastje met twee tropische vlinders.
J14
Entomologische verzameling in kastje met 8 laden. Gedeeltelijk gerestaureerd in 2004 door Harry van Oorschot.
J15
Metamorfose van larf tot bij in glas.
J16
Medekruikje met honingwijn van het Ierse kasteel Bunratty.
J17
Wespenraten
J18
Bijenpark schoencrème Twee potjes bruine schoensmeer uit het verleden van het Bijenpark.
J19
Vogelkastje in beton door Jan J. Bosma.
J20
Schaal met oor in beton door Jan J. Bosma.
J21
Spaarvarken in beton door Jan J. Bosma.
J22
Plantenbak in beton door Jan J. Bosma (staat 's zomers buiten).
J23
Vogels Houten inlegwerk door Jan J. Bosma.
J24
Vaas in beton, beschilderd, door Jan J. Bosma.
J25
Honingpotten Twee decoratieve oude honingpotten.
J26
IJsvogel opgezet, op tak.
J27
Gierzwaluw opgezet.
J28
Tafeltje met houtinlegwerk door Jan J. Bosma.
J29
Klok in de vorm van een bijencel.
J30
Raamhanger honingbij Glas in lood. 1984.
J31
Horzelnest uit Frankrijk. Geschenk van de Buckfastclub.