|
De Inventaris van het Imkermuseum:
| A - Bijenkasten
|
| A01
|
Schaalmodel van een simplexkast
met interieur: broedkamer, moerrooster en
honingkamer. Geschenk van dhr. Kelting.
±1940.
|
| A02
|
WBC-hive Traditionele, dubbelwandige
"tuinkast" uit Groot-Brittannië. Hierin
werden voor het eerst in Europa de internationale
standaardmaten voor bijenkasten toegepast.
De kast wordt door sommige Britse imkers
nog steeds gebruikt. De Nederlandse Simplex
binnenkasten passen er ook in.
|
| A03
|
Houtgesneden bijenkast de Leeuw
van Simpson In gebruik als spreekgestoelte,
gedeeltelijk gerenoveerd. Gemaakt naar aanleiding
van teksten uit de bijbel in Richteren (15:8)
"En na simmige dagen kwam hij weder om haar
te nemen; toen week hij af om het aas van
de leeuw te bezien; en zie, een bijenzwerm
was in het lichaam van de leeuw, met honing";
(15:9) "En hij nam dien in zijn handen en
ging voort tot zijnen vader en tot zijne
moeder, en gaf hun daarvan en zij aten;
doch hij gaf hun niet te kennen, dat hij
den honing uit het lichaam van den leeuw
genomen had." Herkomst onbekend. ±1850.
|
| A04
|
Bevruchtingskastje Hierin kan een
groter volkje geplaatst worden, wat meer
kans op succes geeft. De gaten met gaas
dienen voor ventilatie tijdens eventueel
transport. ±1960.
|
| A05
|
Antiek bevruchtingskastje ±1900.
|
| A06
|
Bevruchtingskastje Het kastje is
met de voorzijde met daarin de vliegopening
naar beneden opgesteld om het inwendige
te kunnen zien. In het bovenste afgescheiden
gedeelte doet de imker voedsel (suikerdeeg),
waarna twee pollepels natgemaakte bijen
in het kastje worden geschept samen met
een onbevruchte koningin. Aan het deksel
worden tussen de latjes drie reepjes kunstraat
bevestigd waar het volkje raatjes van maakt.
Zodra deze raatjes van larven zijn voorzien
kan de imker beoordelen of de jonge koningin
goed werd bevrucht. Indien dat het geval
is kan ze via een invoerkooitje aan een
ander volk worden toegevoegd. ±1920.
|
| A07
|
Koninginnenteeltkast
Deze kast, ook wel drieramer of drieraamskast
genoemd, wordt gebruikt voor de teelt van
koninginnen.
|
| A08
|
Dadantkast Dit type bijenkast is
wereldwijd het meest gebruikte type bijenkast,
samen met de Langstroth. Het is een ontwerp
uit de 19e eeuw waarin voor het eerst de
nieuwe wetenschappelijke kennis over bijenvolken,
met name die over de afstand tussen de raten,
werd toegepast. Ook is de kast eenvoudiger,
goedkoper en praktischer in het gebruik.
De Nederlandse spaarkast is erop gebaseerd,
maar is iets kleiner. Exemplaar met voerbak
en moerrooster.
|
| A09
|
Gerstungs Thüringerkast Staand
model. De kast kan aan de achterkant worden
geopend, maar wordt van boven uit behandeld.
De kast bleek niet geschikt voor de Nederlandse
drachtomstandigheden. ±1910.
|
| A10
|
Dekplank van stro met gat voor
een Thüringer voederballon. ±1920.
|
| A11
|
Fruitteeltkast ontworpen door Dr.
Ir. A. Minderhoud. De kast is eenvoudig
van constructie en gemakkelijk zelf te maken.
Er kunnen zonder al te veel kennis van zaken
toch met succes bijen in worden gehouden
en er is goed mee te reizen. Met een sluitplank
kan de ruimte voor het volk worden verkleind.
Honing wordt door de bijen achterin de kast
opgeslagen en is simpel te oogsten zonder
het broednest te verstoren. ±1950.
|
| A12
|
Glazen simplexkast ofwel lichtkast.
Er was in het begin van de 20e eeuw een
theorie dat bijen in kasten met veel natuurlijk
licht om allerlei redenen beter zouden functioneren,
m.n. in drachtarme gebieden. In de praktijk
bleken de nadelen (meer broed dan honing,
groter voedselverbruik, m.n. 's winters,
breekbaarheid materiaal) groter dan de voordelen
(rustigere bijen, minder wasmot, versnelde
broedaanzet, twee uur langer werkende bijen,
sterkere bijen en koninginnen).
|
| A13
|
Weiss-simplexkast In deze kast
kunnen raten zowel dwars op als in de lengterichting
van het vlieggat worden geplaatst, al naar
gelang de voorkeur (of dwarsheid) van de
imker. ±1935.
|
| A14
|
Gedecoreerde observatiekast met
Staphorster schilderwerk.
|
| A15
|
Vierkantskorf /korfkast ofwel de
korf van Dzierzon. Een overgangsvorm
tussen de bijenkorf en de bijenkast, met
uitneembare raampjes. Toen vrijwel elke
imker in Nederland nog met korven werkte,
was men in het buitenland al aan het experimenteren
met korven en kasten met uitneembare raten.
Met name Von Siebold publiceerde veel over
dit onderwerp, en ook zijn leraar Dzierzon
heeft veel onderzoek gedaan naar het verbeteren
van de bijenwoning en de leefcondities van
de bijen. Bovendien toonde hij als eerste
aan dat alle eitjes in een bijenvolk door
slechts één koningin worden
gelegd. Toen in 1857 Dr. W. Berlin "zich
opgewekt voelde om den heer Westerman (directeur
van Artis) voor te stellen eenige zwermen
doe op de Zoölogische tuin gevangen
waren te behandelen in eenen modelkorf",
kocht Artis van de heer Dzierzon een bijenkorf
met gebruiksaanwijzing. Uit heel Nederland
kwam men naar Artis om deze wonderlijke
aanwinst te aanschouwen. De bijenkast van
Dzierzon kon aan de zijkant worden geopend
om de ramen eruit te nemen. Die zaten namelijk
vast aan latjes die in een uitsparing bovenin
de kast konden worden geschoven. Door in
de zijwand een schuif te plaatsen, kon men
het werk van de bijen observeren. In de
wintermaanden werd de ruimte achter het
glas met stro gevuld als warmte-isolatie.
In de zomer konden de bijen in deze ruimte
honingraten bouwen; op die plek kon de imker
de honing eenvoudig oogsten. De hier getoonde
kast is een replica, gemaakt aan de hand
van de originele bouwtekening.
|
| A16
|
Bevruchtingskastje voor het bevruchten
van een jonge koningin.
|
| A17
|
Dubbelwandige spaar-lichtkast zie
A12.
|
| A18
|
Zesraamskastje/Zesramer voor het
huisvesten van een klein volkje of een zwerm.
|
| A19
|
Automatic Een Engelse vinding.
Een bijenkast met een omgekeerde trapeziumvorm.
Nooit op grote schaal toegepast, zeker niet
in Nederland. Het idee was een zelfreinigende
kast, omdat alle afval van een volk (dode
bijen, parasieten, wasdeeltjes e.d.) vanzelf
uit de kast kan vallen. ±1930.
|
| A20
|
Simplexkast Traditionele Nederlandse,
dubbelwandige bijenkast. Hier en daar nog
steeds gebruikt.
|
| A21
|
Simplexkast Klein model (8-raams)
tuinkast.
|
| A22
|
Veluws observatiekastje uit de
19e eeuw.
|
| A23
|
Kenia-bovenlattenkast Wordt heden
in veel ontwikkelingslanden gebruikt i.p.v.
traditionele imkermethoden. Hij is goedkoop,
simpel lokaal te maken, vergroot de oogst
en vereenvoudigt en verlicht het werk, waardoor
imkeren voor velen in de Derde Wereld, m.n.
voor steeds meer vrouwen, een haalbare bron
van (neven-) inkomsten is. Imkeren vormt
zo een belangrijke bijdrage aan de lokale
economie.
|
|
| B - Korven
|
| B01
|
Verschillende schaalmodellen van strokorven
(geschenk van de heer Kelting) A: Gravenhorster
boogkorf (links). Kan in twee compartimenten
worden gesplitst. B: Kleine schepkorf (midden)
Kiep(s) voor het vangen van zwermen. C:
Fraai antiek korfmodel (hangend). D: Laatste
in Nederland gebruikte korfmodel (rechts).
±1940.
|
| B02
|
Boomstamkorf Een van de oudste
korftypes.
|
| B03
|
Lüneburger korf met natuurlijke
raatbouw. Geschenk van dhr. R. Hoogendoorn.
|
| B04
|
Bisschopsmuts of Zwanenhals Oud
model korf gemaakt van buntgras op een geraamte
van wilgentenen. In gebruik tot ±1940.
|
| B05
|
Bloempotkorf Speciaal gevlochten
korf om als plantenbak te dienen.
|
| B06
|
Bijenkorf Deze korf heeft een vlakke
bovenzijde waarop extra "ringen" (strooien
opzetstukken) voor de honingopslag konden
worden geplaatst. Dit was vroeger een van
de simpelste en meest gebruikte korven,
alhoewel hij van plaats tot plaats wel wat
verschillende kenmerken had. De raten werden
door de bijen zelf en niet, zoals tegenwoordig
in de moderne bijenkast, door de imker recht
naast elkaar gehangen. Als versteviging
stak de imker enkele houten spijlen in de
korfwand, waardoor de raten werden gesteund
en tijdens het vervoer naar de drachtvelden
niet werden beschadigd. ±1930.
|
| B07
|
Zwermkieps Een korfje om zwermen
te scheppen. In de avondschemering worden
de bijen uit de kieps in de definitieve
bijenkast geschud. ±1930.
|
| B08
|
Jaagkiep of -kieps werd gebruikt
om het bijenvolk uit de korf te jagen om
de honing te oogsten of de koningin te vinden.
|
| B09
|
Schepkiep of -kieps. Een korfmodel
dat ook nu nog wordt gebruikt om een bijenzwerm
uit een boom o.i.d. te "scheppen".
|
| B10
|
Heideboogkorf Koudbouw, 9-raams.
|
| B11
|
Boogkorf Een overgangsfase tussen
de vaste en de losse bouw: een korf met
raampjes. Diverse types en groottes (zie
B10, B12, B13, B16).
|
| B12
|
Drieraams boogkorfje voor het huisvesten
van een zwermpje of bevruchtingsvolk. Een
overgangsfase tussen de vaste en de losse
bouw. ±1925.
|
| B13
|
Boxmakorf met los strooien deksel.
De honingraten werden door de bijen aan
de latjes bevestigd.
|
| B14
|
Grote boogkorf Een overgangsfase
tussen de vaste en de losse bouw: een korf
met raampjes. Warm- en koudbouw,16-raams.
|
| B15
|
Bisschopsmutskorf Oud model korf.
Deze is gevlochten om een gewone korf heen.
|
| B16
|
Boogkorf Klein model, koudbouw.
Korf met 9 raampjes.
|
| B17
|
Korfje op zeer kleine schaal met
vlieggat boven.
|
|
| C - Algemene imkermaterialen
|
| C01
|
Blaasbalgberoker uit ±1920.
|
| C02
|
Alley's Trap dient om te voorkomen
dat een koningin met de zwerm meegaat. De
koningin is groter dan de werksters en kan
niet tussen de spijltjes door. Ze klimt
dan door een van de fuikjes omhoog en de
zwerm voegt zich bij haar, waarna de imker
eenvoudig de zwerm kan vangen. Het systeem
lijkt aardig maar werkt in de praktijk slecht,
omdat een koningin door een zwermlustig
volk "op dieet" wordt gezet en slanker wordt,
en ook omdat zwermende werksters een koningin
door het rooster proberen te duwen, waardoor
ze er toch door komt of beschadigd raakt.
Hier een groot en een klein exemplaar. ±1930.
|
| C03
|
Vlieggatverkleiner Een oud Zwitsers
model.
|
| C04
|
Moerrooster Dient om te voorkomen
dat de koningin, die niet tussen de tralies
door past, eitjes in de honingkamer legt.
Hoort bij de zwermzeef (C05).
|
| C05
|
Zwermzeef Een bijenzwerm wordt
door de imker in dit kistje gedaan en het
koninginnenrooster wordt daarna op de zwerm
gelegd. Dit zakt naar beneden en de oude
koningin (een zwerm bevat altijd een oude
koningin) is eronder gevangen. De zwerm
kan nu worden verwijderd en met het oude
volk worden samengevoegd, of er kan een
nieuwe koningin worden ingevoerd. ±1930.
|
| C06
|
Wiel- of rolsporen om bevestigingsdraden
in vellen kunstraat te drukken. Het stuk
koper aan de onderzijde (bij het wieltje)
kan worden verwarmd. Het blijft enige tijd
warm en zo wordt de ijzerdraad in de was
gesmolten.
|
| C07
|
Raampjeslichter Dit gereedschap
wordt gebruikt om de ramen in de kast iets
op te lichten door het onder de bovenlat
te schuiven en daarna als hefboom te gebruiken,
waarna de imker met zijn handen de raampjes
verder kan optillen. Dit is vaak nodig omdat
de raampjes door de bijen aan de kast zijn
vastgekit met propolis.
|
| C08
|
Darrenvalletjes om de darren uit
het volk te zeven. De darren drukken de
klepjes naar buiten maar kunnen er niet
meer terug in. De kleinere werksters kunnen
door de poortjes in de klepjes wel weer
naar binnen. ±1950.
|
| C09
|
Twee imkerkappen en een imkerhoed
waarmee imkers hun hoofd beschermen tegen
bijensteken.
|
| C10
|
Klosje ijzerdraad dat wordt gebruikt
om kunstraten stevig in de raampjes te smelten.
|
| C11
|
Twee metalen ramenlichters om de
ramen in de kast op te lichten. De ramen
worden door de bijen met propolis vastgekit.
Het linkse exemplaar is voorzien van een
krabber om de bovenzijde van de ramen van
propolis en wasresten te ontdoen.
|
| C12
|
Kastband die zeer strak om de kast
en het deksel wordt getrokken om alle delen
van de kast goed op elkaar te houden tijdens
het reizen met de bijen, bv. naar drachtvelden.
|
| C13
|
Vulkaanberoker Een beroker met
een veermechanisme die continu rook over
het volk kan blijven blazen tijdens het
werken in een bijenvolk.
|
| C14
|
Thüringer ballon Een voederballon
met suikerwater die werd gebruikt om de
bijen in tijden van nectarschaarste bij
te voeren. Hij wordt omgekeerd op de dekplank
wordt geplaatst. Het onderstuk steekt door
een verstelbare ring door de dekplank waardoor
de bijen het voedsel kunnen bereiken. ±1920.
|
| C15
|
Sectiehoningraam In plaats van
twee honingramen kan dit houten vormpje
in een bijenvolk worden gehangen. De bijen
zullen door de spleten tussen de latjes
kruipen en de drie losse bakjes volbouwen
met raat. Bij goede dracht worden ze door
de bijen gevuld met honing en met was verzegeld.
De imker kan dan kostbare verzegelde raathoning
verkopen. ±1950.
|
| C16
|
Voedertoestel dat met de smalle
zijde in de opening van het bijennest wordt
geplaatst. In de opening wordt een jampot
met suikerwater op zijn kop neergezet. In
het deksel zitten gaatjes waardoor bijen
het voedsel op kunnen zuigen. ±1925.
|
| C17
|
Stuifmeelval Dit apparaat wordt
voor de ingang van het vlieggat gehangen.
Wanneer de bijen door de val kruipen, wordt
het stuifmeel van de poten geschraapt, waarna
de imker het kan oogsten. Dit wordt bij
ons zelden toegepast door de schaarste aan
pollen, de belangrijkste eiwitbron voor
bijenlarven.
|
| C18
|
Bijenuitlaten worden gebruikt om
een honingkamer op een rustige manier bijenvrij
te maken. De bijen kunnen de honingkamer
wel via de uitlaat uit, maar door de ingenieuze
constructie niet meer in. Na 24 uur kan
de imker dan de honingkamer afnemen. Diverse
modellen uit diverse periodes.
|
| C19
|
Gatenponsapparaatjes Twee apparaten
om gaatjes in de zijlatten van raampjes
te maken, waardoor metaaldraad wordt gespannen
om raat te verstevigen.
|
| C20
|
Afstandsrepen Metalen strips om
de ramen in een bijenkast op de juiste afstand
van elkaar te houden.
|
| C21
|
Dathe-pijp met ventiel. De rook
kan wel uitgeblazen worden, maar kan niet
in de mond komen. ±1950.
|
| C22
|
Bijentabak voor berokers. Soms
worden kruiden toegevoegd.
|
| C23
|
Dathe-pijpen Berokers die gebruikt
worden om wat prettiger in de bijenvolken
te kunnen werken. Zodra bijen een brandlucht
ruiken, zuigen ze zich vol met honing waardoor
ze niet meer zo steeklustig zijn en door
hun dikte ook niet meer zo gemakkelijk kunnen
steken. Ze worden nog steeds gebruikt, hoewel
blaasbalgberokers steeds meer aan terrein
winnen. Deze modellen zijn van rond 1920.
|
| C24
|
Imkerkap en -handschoenen Een goede
imker wordt niet vaak gestoken. Toch is
het raadzaam om tijdens het verzorgen van
de bijen altijd goede beschermende kleding
te dragen, zeker op het hoofd, om nare gevolgen
en (het ontstaan van) allergieën te voorkomen.
Er zijn ook complete bijenpakken uit één
stuk.
|
| C25
|
Pennenbevestiger Met dit apparaat
kunnen afstandspennetjes in de zijkanten
van ramen bevestigd worden als systeem om
de ramen op de juiste onderlinge afstand
te houden.
|
| C26
|
Rolmes of spoorwieltje om wasraat
op maat te snijden.
|
| C27
|
Beroker Een antiek model dat met
kleine turfblokjes werd gestookt. De rook
maakt de bijen handelbaarder.
|
| C28
|
Voerbak van hout. Ingenieus model
met drijvend rooster om bijen te behoeden
voorde (zoete) verdrinkingsdood. ±1920.
|
| C29
|
Dekplank voor voederballon ±1930-1950.
|
| C30
|
Schaaltje voor voederballon instelbaar.
±1930-1950.
|
| C31
|
Sigaarhouder voor grote sigaar
om al blazende daarmee de bijen te kalmeren.
±1890.
|
| C32
|
Groot combinatie-voerraam voor
suikerwater én droge suiker.
|
| C33
|
Stuifmeelval Metalen bakje om pollen
mee te oogsten. De bijen kruipen door de
nauwe openingen heen waardoor de korrels
stuifmeel van hun pootjes worden geschraapt
en in het opvangbakje vallen. ±1960.
|
| C34
|
Gietlampjes Twee "lampjes" die
werden gebruikt om was te smelten of een
rolmes te verwarmen. ±1890.
|
|
| D - Materialen voor de korfimkerij
|
| D01
|
Zwavelstrips In vroeger tijden
waren imkers minder vriendelijk voor hun
volken. Aan het eind van het seizoen werden
veel korfvolken voor de oogst "afgezwaveld",
dat wil zeggen gedood met zwavel. Met de
komst van de kastimkerij is dit gebruik
gelukkig vrijwel verdwenen.
|
| D02
|
Vlechtpennen Twee metalen pennen
die gebruikt werden voor het vlechten van
stro bij het vervaardigen van strokorven.
±1880.
|
| D03
|
Spleuthoutje dat gebruikt werd
voor het splijten van braamstengels voor
korven. Braamstengels werden gebruikt om
het stro te binden. ±1870.
|
| D04
|
Vorm voor het maken van een voergat
in een strooien dekmat. ±1900.
|
| D05
|
Stop om het voergat in een stromat
van een korf af te sluiten.
|
| D06
|
Mesje met handvat om de braamstengels,
die gebruikt werden voor het binden van
stro voor korven, (zie ook D03) op de juiste
dikte te snijden. ±1900.
|
| D07
|
Korfspiegeltje dat aan een stokje
verbonden in een korf kan worden gestoken
om, als zwermverhindering, te controleren
op zwermcellen. ±1880..
|
| D08
|
Haal Mes om braamstengels voor
korfbouw te snijden. ±1890.
|
| D09
|
Vlechtpen voor het vlechten van
strokorven. ±1910.
|
| D10
|
Kribbelrasp Twee koehoorns die
werden gebruikt om braamstruiken voor de
korfbouw te ontdoen van hun doornen. ±1860.
Zie ook D03 en D06.
|
| D11
|
Voederapparaat dat door de wand
van een korf kan worden gestoken. ±1920.
|
| D12
|
Korfkrammen Drie krammen om twee
korven aan elkaar te bevestigen bij het
"jagen" van een bijenvolk, ofwel het overbrengen
van een volk naar een andere korf. Hiervoor
bestonden diverse methodes. ±1910.
|
| D13
|
Messen Twee korfmessen (om raat
uit de korf te snijden) en een darrenmes
(om ongewenst darrenbroed uit de korf te
snijden). ±1920.
|
| D14
|
Voerbakjes voor korfvolken. Eind
19e eeuw.
|
| D15
|
Vlechtring om de juiste dikte van
de strooien band voor de korven te verkrijgen.
±1900.
|
| D16
|
Vormstoelen Twee ijzeren vormen
waar omheen korven worden gevlochten.
|
|
| E - Koninginnenteeltmaterialen
|
| E01
|
Transportkooitje met metalen spiraal
ter bescherming van een koninginnencel.
Dit voorkomt dat werksters de cel afknagen.
±1930.
|
| E02
|
Cellensteker Apparaat om koninginnencellen
uit de raat te steken. ±1920.
|
| E03
|
Stans Houtje om het begin van een koninginnencel kunstmatig te vormen. Het wordt eerst natgemaakt en dan
verschillende malen in vloeibare was gedoopt. ±1920.
|
| E04
|
Pincet om de koningin te pakken
±1920.
|
| E05
|
Darrenrooster Werkbijen en koninginnen
kunnen tussen de spijlen van het rooster
door, maar darren niet. Het wordt gebruikt
op bevruchtingsstations voor koninginnen,
zoals op Schiermonnikoog, waar geen ongewenste
darren mogen rondvliegen. De darren die
met de koningin waren meegekomen worden
zo in hun kastje opgesloten.
|
| E06
|
Introductiekooitjes waarmee de
koningin in een ander volk wordt ingevoerd
of waarin ze tijdelijk met een paar werksters
kan worden bewaard. Kooitjes uit diverse
periodes.
|
| E07
|
Invoerkooitjes om een nieuwe koningin
in een volk te introduceren
|
| E08
|
Arrestkooitjes of clips. Metalen of plastic knijpers om koningin van de raat te plukken. Per ongeluk meegepakte
werksters kunnen via de openingen ontsnappen. De metalen knijper stamt uit ±1920, die van plastic uit de
jaren tachtig.
|
| E09
|
Verzendkooitjes voor koninginnen
uit diverse periodes.
|
| E10
|
Houten moerrooster zoals dat vroeger
met veel geduld werd gemaakt. Moerroosters
dienen om te voorkomen dat de koningin,
die niet tussen de tralies door past, eitjes
in de honingkamer legt. ±1910. Moderne moerroosters
zijn van metaal of kunststof.
|
| E11
|
Ingenieus invoerkooitje De koninginnencel
wordt aan de zijde van het blikken plaatje
door het linkergat gestoken. Door het gat
met moerroostertje wordt een aantal werksters
toegevoegd. Voedsel in de vorm van suikerdeeg
wordt eerder in de rechtercompartimenten
gedaan. Het kooitje wordt warm gehouden
bovenin een bijenvolk. ±1930.
|
| E12
|
Merkset uit de jaren dertig met
staniolplaatjes (tinfolie) in diverse kleuren
(nu vervaagd) met daarop nummers van 1-100.
Zo'n plaatje werd met een druppeltje schellak
op het borststuk van de koningin aangebracht
om haar te merken.
|
| E13
|
Mofu vangfuikje Moerfuik voor het
merken van koninginnen. Een Nederlandse
vinding van Dr. Peeters uit het begin van
de 20e eeuw. De fuik wordt over de koningin
heen gezet, de koningin kruipt door de fuik
en kan niet meer terug. De imker kan haar
dan zonder angst voor verlies binnen merken.
|
| E14
|
Stanley's koninginnenteeltsysteem
Met de scherpe achterkant van het koperen
buisje wordt een werkstercel met larve uitgestanst.
Het buisje wordt over de houten pen geschoven
en het geheel wordt in de perspex plaat
gezet en op een moerloos volk geplaatst.
Het is de bedoeling dat het moerloze volk
dan koninginnencellen op de plastic doppen
gaat bouwen. ±1930.
|
| E15
|
Vangfuikjes uit ±1930 voor het
merken van koninginnen. De koninginnen worden
d.m.v. een slangetje in de fuik gezogen.
|
| E16
|
Invoermethode Aan de houten stop
wordt door de imker een koninginnencel bevestigd.
De stop wordt in het plankje geschoven en
dit wordt boven het bijenvolk gelegd, waarna
de koningin in het volkje kan uitlopen.
±1930.
|
| E17
|
Bevruchtingsraampje Een raampje
voor het antieke bevruchtingskastje (A05).
Aan de toplat van het raampje wordt een
koninginnencel geklemd, opdat een jonge,
onbevruchte koningin in het volkje kan uitlopen.
±1900.
|
| E18
|
Koninginnenteeltraampjes Raampjes
waaraan koninginnencellen kunnen worden
bevestigd. In de kooitjes kunnen de koninginnen
uitlopen.
|
| E19
|
Invoerkooitje Slimme constructie
met pennen om het kooitje met de nieuwe
koningin tussen de raten op te hangen. ±1935.
|
| E20
|
Mackensen-inseminator Oud, maar
het principe van het model van dit apparaat
voor het wordt nog steeds gebruikt voor
het kunstmatig insemineren van koninginnen.
De koningin wordt met behulp van koolzuur
in het perspex houdertje onder narcose gebracht.
Kunstmatige inseminatie wordt gebruikt voor
het creëren van zuivere teeltlijnen en het
kruisen van bijenrassen. ±1950.
|
| E21
|
Welgemuth-kooitje Een kooi om een
koningin uit een koninginnencel te laten
uitlopen omringd door raatbouwende jonge
bijen.
|
| E22
|
Merknetje Vaak worden koninginnen
met een kleurstipje gemerkt. Daarvoor wordt
elk jaar één van een serie van vijf internationaal
afgesproken kleuren (wit, geel, rood, groen
en blauw) gebruikt, zodat de leeftijd van
de koningin altijd bekend is. Om de koningin
te merken plaatst men haar in een apparaatje
als dit. Met behulp van de zachte ondergrond
wordt zij tegen het gaasje gedrukt. De imker
kan haar dan door de mazen heen van een
gekleurde stip voorzien.
|
| E23
|
Koninginnenvanger
|
| E24
|
Koninginnenteeltkooitje van perspex
voor observatie.
|
| E25
|
Celbeschermers om een koninginnencel
te behoeden voor beschadiging door bv. werksters
of een andere koningin. Metaal (±1935) en
plastic (1997, Nicot-systeem).
|
| E26
|
Arrest-wisselkooitjes om de koningin
op de raat vast te zetten, bv. om haar te
merken.
|
|
| F - Materiaal voor de honing- en wasoogst
|
| F01
|
Handhoningslinger Dit apparaat
draait op een punt op de grond en met de
hand wordt er aan de bovenkant een slingerende
beweging aan gegeven. De honing vliegt uit
de raat en verzamelt zich in het bakje.
Daarna kan de honing er door een tuitje
aan de achterkant worden uitgegoten. ±1935.
|
| F02
|
Ontzegelmes Dit kan verhit worden
door het in kokend heet water te dopen.
Daarna is het eenvoudiger de wasdekseltjes
van de honingraat te verwijderen, alvorens
de ramen te slingeren.
|
| F03
|
Honingzeef ±1920.
|
| F04
|
Erica-borstel die dient om de vaste
heidehoning wat vloeibaarder te maken zodat
ze geschikt wordt om geslingerd te worden.
De borstel wordt herhaaldelijk in de cellen
geprikt en bewogen. ±1935.
|
| F05
|
Rietsche's waspers De pers is losneembaar
scharnierend verbonden. In een warme ruimte
wordt eerst een lepel losmiddel (zeepoplossing,
aardappelwater, of een mengsel van heidehoning,
brandspiritus en water in de verhouding
1:3:4). Daarna wordt de pers gesloten en
het teveel aan losmiddel afgegoten. Na opening
van het apparaat gaat er aan de scharnierzijde
een lepel hete (niet kokende) was in. De
pers wordt gesloten en daarna wordt het
deksel losgemaakt waarvan dan het vel kunstraat
kan worden afgehaald. ±1930.
|
| F06
|
Dubbele honingzeef Na het slingeren
van de honing gaat de honing eerst door
de grove, daarna door de fijne zeef. Daarmee
wordt de honing gezuiverd van kleine onreinheden
als wasdeeltjes e.d.
|
| F07
|
Ontzegelvorken Twee veeltandige
vorken om de door de bijen ter conservering
van de honing op de raten aangebrachte wasdeksels
(de zegels) voor het slingeren te verwijderen.
|
| F08
|
Hand- of veldslinger ±1930. Geschenk
van dhr. Kelting. Er zijn vele soorten slingers,
maar alle werken volgens het principe van
de centrifugale (middelpuntvliedende) kracht:
door de snelle slingerbeweging vliegt de
honing uit de cellen van de raten en zakt
naar de bodem van de slinger, waar hij wordt
opgevangen.
|
| F09
|
Koperen raatwassmelter Het apparaat
wordt met water gevuld en boven een vlam
verwarmd. De was vloeit via de koperen richels
naar het tuitje en dan het bekertje in.
Het vuil blijft achter en de was krijgt
door het koper een warmgele kleur. Roodkoper
kleurt de was nog fraaier. ±1920.
|
| F10
|
Ontzegelbak ±1950. Voor het honing
slingeren moeten de door de bijen ter conservering
op de honing aangebrachte wasdekseltjes
worden verwijderd met een ontzegelvork of
-mes. Dat gebeurt boven een ontzegelbak
waarin de gelekte honing en wasdeeltjes
worden opgevangen.
|
| F11
|
Hand-kolbtoestellen voor het in
de raat losmaken van vaste heidehoning voor
het slingeren.
|
| F12
|
Zonnewassmelter Bijenwas is een
kostbaar product waar je zuinig mee om moet
springen. Oude was en raten wordt in het
bovengedeelte van de smelter gelegd en de
zonnewarmte smelt de was, die in een opvangbak
wordt v erzameld. Vervolgens wordt hij gezuiverd
en verwerkt tot kunstraat, kaarsen of andere
wasproducten. Het is een goedkope manier
om was te recycleren, maar niet erg efficiënt,
omdat heel wat was toch nog in het residu
achterblijft.
|
| F13
|
Houten honingpers ±1930.
|
| F14
|
Houten honingpers ± 1890.
|
| F15
|
Kolbtoestel voor het vloeibaar
maken van heidehoning voor het slingeren.
Heidehoning is zo stevig dat ze pas kan
worden geslingerd als ze los is gemaakt
met dit toestel door de pennen in de raat
te steken en zachtjes te bewegen. Dit én
het verlies van volken door de late heidedracht
verklaren de hoge prijs van de gegeerde
heidehoning. ±1925.
|
| F16
|
Drentse klap-pers Een eikenhouten
bak waarin honingraat werd uitgeperst. Voor
het persen werden de raten in de paardenharen
perszak gedaan. De zak werd vervolgens in
het persgat gelegd en met de schroef door
het persblok naar beneden geduwd. De honing
werd zo door de gaten naar buiten geperst.
Deze oude Drentse klap-pers is rond 1840
door Pieter Doedes gemaakt. De poten, de
schroef en de persklap zijn authentiek,
de persbak stamt uit 1983 en is naar een
oud model in het bijenmuseum in Vledder
gemaakt. Pieter Doedes was imker te Enkhuizen.
Regelmatig voer hij met de beurtschipper
en zijn tjalk "De Geus" van Enkhuizen naar
Kampen en van daar naar Avereest. Daar plaatste
hij zijn ±400 korven in de boekweit- en
heidevelden. Behalve honing vond hij er
ook zijn latere vrouw. In 1885 kwamen vader
en zoon Doedes op de Zuiderzee voor Kampen
bij zeer warm en windstil weer stil te liggen.
De korven in het oververhitte ruim moesten
in allerijl aan dek worden gehaald en van
hun afsluitdoek worden ontdaan, een zwaar
en onplezierig karwei. De oogst van dat
jaar was echter zeer goed. Veel van de korven
stonden op maar liefst vier stroringen (opzetstukken,
het equivalent van de moderne honingkamers)
en wogen over de vijftig kilo.
|
| F17
|
Waskanon In de horizontale cilinder
wordt was in een losse geperforeerd koker
gedaan. In het onderstuk wordt water verhit.
Als er stoom ontstaat, smelt de was die
er dan door de opening uit vloeit. ±1925.
|
| F18
|
Eenvoudig waspersje van eikenhout
zoals dit vroeger vaak door imkers werd
gemaakt. ±1860.
|
| F19
|
Honingkraan van brons die op een
vat met honing werd bevestigd om honing
af te tappen. ±1920.
|
| F20
|
Grote waspers Geschenk van het
hoofdbestuur. 19e eeuw.
|
| F21
|
Honingzeef ±1950. Na het slingeren
wordt de honing eerst in een grove en daarna
in een fijnmazige zeef gereinigd en van
wasrestjes ontdaan. Daarna gaat de honing
in het honingvat om af te rijpen.
|
|
| G - Was, propolis en stuifmeel
|
| G01
|
Kunstraat Kunstraat wordt aan de
bijen gegeven om honing te besparen (voor
het bouwen van één honingkamerraat hebben
de bijen 12 gram honing nodig, bovendien
kunnen bijen hun tijd dan aan andere zaken
besteden), om darrenbroed te vermijden,
en om mooie rechte raten te verkrijgen.
|
| G02
|
Stuifmeel Afkomstig van verschillende
plantsoorten.
|
| G03
|
Diverse wassoorten: (a) Argentinië
15-04-1988; (b) Marokko 20-04-1988; (c)
Mexico 27-04-1988; (d) Madagaskar, Majunga;
(e) Tanzania 13-04-1988; (f) China; (g)
Haïti; (h) VS 30-03-1988.
|
| G04
|
Propolistinctuur uit Spanje en
Nederland. Een sterk antiseptisch middel
voor het behandelen van wondjes. Zie G14.
|
| G05
|
Bijenwas Bijenwas wordt, na van
1970-1990 wat in onbruik te zijn geraakt,
weer steeds meer als grondstof gebruikt
vanwege de vraag naar natuurzuivere producten.
Het wordt o.a. gebruikt in meubelwas, schoensmeer,
autowas, skiwas, cosmetica en artikelen
voor de persoonlijke verzorging en drop.
|
| G06
|
Oost-Afrikaanse was Vroeger werd
meer dan de helft van de wereldproductie
van bijenwas verhandeld in Dar-es-Salam,
waar een strenge kwaliteitscontrole plaatsvond.
Tegenwoordig komt was steeds vaker uit Zuid-Amerika
en Azië.
|
| G07
|
Japanse was die industrieel gebleekt
is.
|
| G08
|
Koningin op raat Afgietsel in was.
|
| G09
|
Waskoek
|
| G10
|
Waskaarsen
|
| G11
|
Gekleurde was
|
| G12
|
Koperkleurige was Was die met een
koperen smelter is gesmolten, neemt de kleur
van het koper aan, dus wordt goudgeel of
roodkoper.
|
| G13
|
Vloeibare propolis (zie G14)
|
| G14
|
Gedroogde propolis Propolis wordt
door bijen gemaakt van de hars van bepaalde
planten. Ze gebruiken het voor het dichtkitten
van kieren in hun woning en voor het balsemen
van ongerechtigheden (bv. een dode muis).
Imkers verzamelen het om het te gebruiken
als reparatiekit voor hun bijenkasten. Tegenwoordig
wordt het steeds vaker in de farmaceutische
industrie gebruikt vanwege de desinfecterende
en genezende eigenschappen. Pas wel op:
1 op de 2000 mensen is sterk allergisch
voor propolis.
|
|
| H - Illustratiemateriaal
|
| H01
|
Wandplaat Bijenplaat: Insecten
Boerman & Kuip, Wolters.
|
| H02
|
Wandplaat Honingbij: vormenleer
en ontleedkunde KBIN.
|
| H03
|
Wandplaat Apis Mellifera II, Pfurtscheller.
Nijhoff, Den Haag. ±1930?
|
| H04
|
Bijenfoto's Zwart-wit close-up
foto's in lijstjes.
|
| H05
|
Pentekening van het Nieuwe Bijenpark.
Jan J. Bosma, 05/1978.
|
| H06
|
Wandplaat Apis Ligustica, in lijst.
|
| H07
|
Foto van de 1e Imkerdag 1924 uit
"De Practische Imker". Geschenk van dhr.
H. Beil. Foto genomen op 27/09/1924.
|
| H08
|
Verklarende tekstkaartjes uit de
begintijd van het museum.
|
| H09
|
Foto in lijst van Middeleeuwse
bijengravure.
|
| H10
|
Foto in lijst Geert v.d. Brink,
"Nederlands oudste korfimker".
|
| H11
|
Bakhuis met bijenstand Pentekening
van J.A.L. van Blommestein uit 1939, naar
een origineel uit 1741.
|
| H12
|
These Bees Are Called Drivelings
Pentekening van J.A.L. van Blommestein uit
1939? Naar een Engels origineel uit 1761.
|
| H13
|
Imker met stal Ingekleurde pentekening.
J.A.L. v. Blommestein naar een origineel
van Fr. V. Eeckhout uit 1711. 1939.
|
| H14
|
Fotocollage Reizen met de bijen
naar het "nieuwe land" in de Wieringermeer
in 1937 en 1938. 2 grote foto's.
|
| H15
|
Fotocollage Een zwerm vangen op
het Bijenpark, jaren dertig.
|
| H16
|
Fotocollage Het park aan de Sloterweg
in de jaren dertig en veertig. Personen
en plaatsen. 4 grote foto's.
|
| H17
|
Fotocollage Imkers en kasten in
de jaren 30 tot 50. 9 foto's.
|
| H18
|
Franse bijenplaten "Ailes de l'ouvrière";
"Pattes antérieures de l'ouvrière et jambes
postérieures de l'ouvrière." ±1930.
|
| H19
|
Kastkaarten om de ontwikkeling
van een volk bij te houden.
|
| H20
|
Fotocollage AVBB-stand op Gouden
Imkerfeest, Assen, 1947.
|
| H21
|
Linosnede Imker & korven. ± 1965,
V.S.R (Julia v.Verschuer?)
|
| H22
|
Foto van Jan J. Bosma in lijst.
Begin jaren 70.
|
| H23
|
5 Posters in kleur: bijen, pollen,
propolis, honing, gelei.
|
| H24
|
2 Lichtbakken met tekeningen en
tekst: de anatomie v.d. bij.
|
| H25
|
Celvormige wandpanelen 6x. Uitleg
over pollen in Nederland.
|
| H26
|
Collage van tekenwerk van Jan J.
Bosma.
|
| H27
|
Collage Obligatie 1948, Acte 1908
(kopie), foto's oude parken.
|
| H28
|
Aquarel van tuinhuisje door A.Scheerder.
1984.
|
|
| I - Onderzoeksmateriaal
|
| I01
|
Loep om bijen te bestuderen. Antiek
model van voor 1900.
|
| I02
|
Duitse bijentongmeter ±1935. In
de spleet wordt honing gesmeerd vanaf de
achterzijde tot aan de glaszijde. Het stukje
hout waaruit de meter hoofdzakelijk bestaat
is wigvormig. De bijen kunnen alleen honing
halen zover hun tong strekt. De resterende
honing blijft zichtbaar waardoor men kan
aflezen hoe lang de tong is. Bij verschillende
bijenrassen verschilt de tonglengte aanzienlijk.
|
| I03
|
Borststukmeter Men plaatst dit
apparaat voor de vliegopening van de bijenkast.
Het wordt net zolang aangeschroefd tot de
werksters er niet meer doorheen kunnen,
waarna op de schaalverdeling in tiende millimeters
kan worden afgelezen hoe dik het borststuk
van de werkbijen is. ±1935.
|
| I04
|
Tongmeter ±1930.
|
| I05
|
Microscoop met lenzen en toebehoren
in houten kastje. Leitz nr. 487121; 05/11/1955.
|
| I06
|
Microscoop met lenzen en toebehoren
in houten kastje. Leitz nr. 352031; 03/11/1939.
|
| I07
|
Microscopen Twee stuks in houten
kistjes. Jaren 50/70.
|
|
| J - Diversen
|
| J01
|
Herinneringspenning van de VBBN
aan de Floriade van 19??
|
| J02
|
Herinneringspenning uit 1934 aangeboden
door de gemeente Amsterdam aan de AVBB.
|
| J03
|
Herinneringspenning van de imkerdag
1947 en het vijftigjarige bestaan van de
VBBN.
|
| J04
|
Herinneringspenning van de deelname
aan de Floriade van 1982 waar de inzending
van de AVBB goud won.
|
| J05
|
Houten medevaatje voor het bereiden
van "honingwijn", mede.
|
| J06
|
Vijf vogelnestjes met eieren 1)
pimpelmees; 2) zanglijster; 3) heggenmus;
4) merel; 5) winterkoning.
|
| J07
|
Oude balansweegschaal om bv. honing
af te wegen.
|
| J08
|
Unster Weegschaal om o.a. honing
te wegen. ±1880.
|
| J09
|
Bijenpoten Twee sterk uitvergrote
bijenpoten ter demonstratie.
|
| J10
|
Ransuil-braakbalonderzoek uit de
zomer van 1976 op het Nieuwe Bijenpark.
Vondsten gegoten in perspex.
|
| J11
|
Braakbalonderzoek uit de winter
van 1976/1977 op het Bijenpark. Vondsten
gegoten in perspex.
|
| J12
|
Vaasje in Delfts Blauw ter herinnering
aan het Internationale Bijencongres in Amsterdam
in 1947.
|
| J13
|
Vitrinekastje met twee tropische
vlinders.
|
| J14
|
Entomologische verzameling in kastje
met 8 laden. Gedeeltelijk gerestaureerd
in 2004 door Harry van Oorschot.
|
| J15
|
Metamorfose van larf tot bij in
glas.
|
| J16
|
Medekruikje met honingwijn van
het Ierse kasteel Bunratty.
|
| J17
|
Wespenraten
|
| J18
|
Bijenpark schoencrème Twee potjes
bruine schoensmeer uit het verleden van
het Bijenpark.
|
| J19
|
Vogelkastje in beton door Jan J.
Bosma.
|
| J20
|
Schaal met oor in beton door Jan
J. Bosma.
|
| J21
|
Spaarvarken in beton door Jan J.
Bosma.
|
| J22
|
Plantenbak in beton door Jan J.
Bosma (staat 's zomers buiten).
|
| J23
|
Vogels Houten inlegwerk door Jan
J. Bosma.
|
| J24
|
Vaas in beton, beschilderd, door
Jan J. Bosma.
|
| J25
|
Honingpotten Twee decoratieve oude
honingpotten.
|
| J26
|
IJsvogel opgezet, op tak.
|
| J27
|
Gierzwaluw opgezet.
|
| J28
|
Tafeltje met houtinlegwerk door
Jan J. Bosma.
|
| J29
|
Klok in de vorm van een bijencel.
|
| J30
|
Raamhanger honingbij Glas in lood.
1984.
|
| J31
|
Horzelnest uit Frankrijk. Geschenk
van de Buckfastclub.
|
|
|